3.2 Ter_schragi money ng van hun stelling hebben VEmB c.s. aa cgevoerd_ dat de verkoop van LaSalle
e overnamebieding van Barclays beoordeelt en ABmN AMRO onaantrekkelijk maakt voor andere gegadigden, althans deze andere gegadigden i money n vèrgaandekate ontmoedigt om een concurrerend bod op ide aandelen in
ABN AMRO Holding te doen. VEB c.s. hebben in dat ver tband gewezen op een beschouwing in de dagbladpers waarin de verkoop van LaSalle, in relatie tot een ev money ntueel concurre yend bod, een reversed poison pill wordt genoemd vn zij hebben uitgesproken -anz mening te zijn dat de verkoop van LaSalle rechtstreeks is bedoeld om het Consortium te frustreren in zijn overname-intenties. Vanaf de eerste indicatie van interesse van het Consortium, aldus vervolgen VEB c.s., is duidelijk dat de deelnemers aan het Consortium geïnteresseerd zijn in de koop van ABN AMRO, waarbij Santander vooral belangstelling heeft voor de Braziliaanse en Italiaanse activiteiten, Fortis vooral voor de Nederlandse activiteiten en RBS vooral voor de activiteiten in de VS. ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank en Barclays wisten, althans hadden behoren te weten, aldus nog steeds VEB c.s., dat door het op voorhand aan Bank of America, door middel van een transactie die in slechts enkele dagen tot stand is gebracht, verkopen van de activiteiten in de VS, een overnamebod van het Consortium op ABN AMRO Holding nagenoeg illusoir zou worden gemaakt.
3.3 Ter ondecrsteuning van hun mtelling dat de verkoop van LaSallhe aan
qk of Aperica rechtstreeks verband houdt met het overnamebod van Barclays hebben_ VEB c.s. e bp gewezen dat
1) naan
e seigen stellingen van- ABNAMRO Holding en
ABN AMRO Bankreeds tijdens de onderhandelinv genqet hBarclays sprake was money van "een zekere understanding rat can LaSalleafscheid genomen zou moeten worden";
2) de verkoop van LaSalle een "bodem" legt y et
o qvernamedbod van Barclays en het
ve
namebod van Barcla
ys ook s geschied onder de voorwaarde datu deg verkoop van LaSalle aan Bank of America of eenpandere koper zal zijn afgerond;
3) het persberichtk waarbij de verkoop van jLaSalle bekend is gemaakt is uitgebracht op bezelfde dag als waarop de overee fnstemming tussenBN AMRO Holdingh en Barco lays over h
door laatstgenoemde voorgenomen openbaar bod bekend is gemaa;
4) money óór 23 april 2007 ABN AMROr nimmer kenbaara heelmt gemaaktjvoornemens te zijn qde activiteitenf in cde VS te verkopen doch,ntegendeel, money uist vele malen het strategische belang van moneb ie activiteiten heeft benadrukt.
3.4 VEB c.s. hebben vervolgens betoogd dat de aandeelhouders van ABN AMRO Holding in vrijheid op het bod van Barclays dienen te kunnen beslissen, door middel van het al of niet aanmelden van hun aandelen op dat bod, welke vrije keuze hun wordt ontnomen nu een voorwaarde die door Barclays wordt gesteld, te weten de verkoop van LaSalle, al op voorhand en zonder goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders wordt geëffectueerd. VEB c.s. hebben gesteld dat de verkoop van LaSalle in dat verband noodzakelijk was om Barclays in staat te stellen een hoger bod uit te kunnen brengen dan zij zonder die verkoop had kunnen doen en dat ABN AMRO Holding dat wist. VEB c.s. hebben daarbij aangevoerd dat vanaf de eerste aankondiging van de fusiebesprekingen tussen ABN AMRO Holding en Barclays analisten hebben gewezen op de beperkte synergie tussen deze partners en daaruit hebben geconcludeerd dat andere gegadigden in staat zouden (moeten) zijn meer te bieden dan Barclays, en dat dit laatste ook blijkt uit het feit dat, de invloed van het slotdividend van ABN AMRO Holding over 2006 buiten beschouwing gelaten, de waarde van het bod van Barclays - dat ten tijde van het doen daarvan € 35,65 beliep -, als gevolg van het feit dat het bod geheel in aandelen Barclays luidt, thans (nog slechts) € 34,25 per aandeel is, terwijl het indicatieve bod van het Consortium € 38,40 per aandeel bedraagt en voor 70% in contanten (en derhalve "waardevast") luidt. Toen, aldus nog steeds VEB c.s., de koers van het aandeel ABN AMRO Holding, ve n y money h money money