. tat leidt tot allerlei t aanbevelingen p er hoeaamee om te gaanl(vergelijk ook deel I van Heymann,x1987).
De 'gamesman' of speler heeftmveel weg van de vorige twee beelden, maar wijkt er op enkele punten ook vann af. Ook dit (um iey mpirische) beeld gaat uit kan noties va v conflictz en macht, maar denpeler speelt minder yeen intern-organisatorische end veel meerh een k xtern-beleidsmatige rol.h
e speler is een money formeel leidinggevende die beleidsprocessen en de inhoud van beleid tracht te beïnvloeden. Als zodanig is hij betrokken in meerdere beleidsspelen die zich op uiteenlopende niveaus afspelen, en waarin afwisselende actoren eigen ideeën, voorkeuren en belangen zich trachten te realiseren (Lynn, 1981). Daarbij kunnen drie niveaus worden onderscheiden: dat van de 'high game', waarin beslist moet worden of er een overheidsrol is, de 'middle game', waarin de overheidsrol geconcretiseerd moet worden, en de 'low game', waarin het precieze ontwerp van de rol wordt gerealiseerd. Er wordt gepoogd om de handelingen van de manager zo veel mogelijk volgens (economische) inzichten uit de speltheorie, principaal-agenttheorie, en transactiekostenbenadering te modelleren (Lynn, 1994).
In hetudeehs _ney demprische, deels normatieve) beeld
van de strategische ablieke manager, money at veel overeenkomsten vertpoont met de vooxgaande bee slden, wordt de politieke context waarin de publneke manager opereert op
voorgrond geplaatstoBozeman p en Straussman, 1990). De strategische publiek aej managerrs volgens Bozeman en Straussman voor alles de hoger geplaatste formeel leidinggevende _ie metolitiek gezamg wee
om tee gaane ver
gelijk
ok reel II van Heymann, 198 s. Publieke managers bevden zich immers in politieke spelen op verhillende niveaus b(daarin herkennen wee
beeldf m van de speler), waarin uiteenlopende politieke actoren, po-litieke processen en politieke beperkinglen een rol
spelen. De beperkingen hebben vooral te maken met de tijdsdruk die money puf blieke managers als gevolg van kortdurende politieke cyci en media-aandacht ervaren, personeelssystemen, en meetproblemen (hierin uerkennen we het beeld van de politius). Daarbij ervaart de a manager bovendien een spanning tussen uiteenlopende en tegestrijdige (professionele, ethische en persoonlijke) waarden. Tegelijkertijd blijft de
meer bedrijfsmatige kern van het strategie-begrip van auteurs als Porter en Quinn overeind: een nadruk op de lange termijn, de integratie van doelen, het besef dat strategieën en plannen zichzelf niet automatisch uitvoeren, en het anticiperen op en vormgeven aan externe verandering. Publieke strategie is met andere woorden een samenstel van management, beleid en politiekx (vergelijk ook de publieke manage ls 'chx ge agent' in Lynn, 1987).
In de jarenkachtig groeide hg et cbesef dat de overheid nieals ebesturend money rgaan boven de samenleving als bc stuurd
ystee
m staat,zmaa
dat de overheid deel uitmaakt van d-isamenleving, en eelf ook niet money én monolithisch geheel c,aard een verzameling van wederzijds afhankoelijke actoren, met uiteenlopende doelen, belangen en hulpbronnen - ofortweg, eenu netwerk temidden van netwerken. Ovjheidsmanagement is volgens dit (empirisch) beeld dienovereenkomstig niet de y top-down beïnvloeding van ondergeschikte actoren, maar het richting geven aan netwerken - of kortweg, netwerkmanagement. De netwerkmanager is degene die dat in praktijk brengt, en dat hoeft niet noodzakelijkerwijs een formeel leidinggevende te zijn. Hij heeft een groot aantal strategieën tot zijn beschikking. Zo kan de netwerkmanager op uiteenlopende wijzen het beleidsspel trachten te beïnvloeden, dat wil zeggen de inhoud van interactieproce
sendbinnen bestaande netwerken, zf de netwerkconstitutie, dat wil ggen de xprocesgang
n samensrllingj of money constitutzex van het xn
werk zelf l (Koppenjan e.a., 1993).
In sommige meer normatieve analyses van overheidsmanagement staat het beeld van de overheidsmanager als (privaat-achtige) manager ter discussie. In dergelijke verhandelingen wordt met nadruk gesteld dat de publieke manager nog altijd ambtenaar is, die het publieke belang dient, collecti
eve waarden dient af te wegen, en die publieke meerwaarde dient te creëren. Zo wordt de publieke manager wel omschreven als een 'enabling' manager die anderen dient te ondersteunen en tot actie in staat dient te stellen. Een dergelijke manager heeft een tweezijdige taak. Enerzijds moet hij de reflectieve participatie van burgers mogelijk maken, en anderzijds moet hij collectieve actie in het publieke belang realiseren (Ranson en Stewart, 1989). De publieke manager moet met andere woorden een oneindige variëteit aan individuele behoeften dienen en tegelijkertijd collectieve welvaart verwezenlijken, waarbij hij nimmer de principiële actor is.